Gemeentelijke Werkinrichting




Om bedelarij tegen te gaan werd in 1852 de Gemeentelijke Werkinrichting opgericht. Het was een voorziening waar behoeftige mensen tegen een vergoeding werkzaamheden konden verrichten. Hiervoor werden enkele lokalen van het Caeciliagasthuis beschikbaar gesteld. In de beginjaren waren daar zon driehonderd mensen actief. De aanduidingen op de kaarten van Van Kampen wijzen erop dat het ziekenhuis in die tijd nog gebruik maakte van de zalen aan de kant van de Caeciliastraat.
Na 1876 was het gebouwencomplex geen ziekenhuis meer en in de ruimten aan de Caeciliastraat is in 1882 de ambachtschool gekomen. Ook werden enkele ruimten gebruikt door de Leidsche Maatschappij van Weldadigheid. In 1885 stelde de Commissie van Fabricage voor dat de ambachtsschool een van de zalen van het Ceciliagasthuis ging gebruiken omdat de Stedelijke Werkinrichting die ruimte niet nodig had. De ambachstschool verhuist in 1892 naar een nieuw gebouw aan de Haagweg.
In 1902 werd stilgestaan bij het vijftigjarig bestaan van de Stedelijke Werkinrichting. Die voorzag nog steeds in een behoefte, hoewel vastgesteld kon worden dat die terugliep. In de zomer werkten er per dag gemiddeld 78 personen en in de winter 150.
In 1914 is in de gebouwen aan de Caecilastraat een buitengewone school voor lager onderwijs gekomen. De school is in 1915, 1917 en 1924 uitgebreid.
In 1937 wilde de gemeente de Stedelijke Werkinrichting reorganiseren. De beloningen zouden omhoog moeten en er moest een beter gebouw komen. Tegelijkertijd zocht het Leger des Heils naar een gebouw dat kon dienen als goedkoop volkslogement, werkinrichting en een nachtasiel. Deze organisatie had daarvoor twee gebouwen op het oog: Het voormalige Caecilia Gasthuis en Oude Vest 35, dat tot voor kort in gebruik was geweest als kweekschool voor onderwijzers. Het Leger des Heils had daarvoor een verbouwingsplan opgesteld. De gemeente besloot om in zee te gaan met het Leger des Heils. Het beheer van de Stedelijke Werkinrichting zou worden opgedragen aan het Leger des Heils, maar behalve dat er een officier van het Leger des Heils werd aangesteld, gebeurde er verder niets.
Intussen waren er nieuwe ontwikkelingen. Op 5 mei 1937 hield prof. dr. J.A.J. Barge, rector magnificus van de Leidsche Universiteit, tijdens een excursie van de Vereniging Oud Leiden een redevoering in de Boerhaavezalen. Hij sprak daarbij de wens uit om in de toekomst van de Boerhaavezalen een medisch historisch museum te maken. Op 29 oktober van dat jaar werd herdacht dat het 350 jaar geleden was dat het klinisch onderwijs aan de Leidse Universiteit was begonnen. Prof. Barge herhaalde bij die gelegenheid zijn wens voor de uiteindelijke bestemming van het voormalige Caeciliagasthuis. Prof. Barge was een invloedrijk man die zich op veel maatschappelijke terreinen bewoog en bekend stond om zijn welsprekendheid. Zijn verhaal maakte indruk bij het College en het was aanleiding om af te zien van de oorspronkelijke plannen voor de Boerhaavezaalen. Daarnaast speelde de noodzakelijke restauratie van het Gravensteen. Daarvoor kon Rijkssubsidie worden verkregen, maar de voorwaarde was dat er een bestemming voor het gebouw kwam. Men bedacht dat de Stedelijke Werkinrichting naar het Gravensteen zou kunnen verhuizen. De Rijkssubsidie kwam af en in november 1940 ging de Raad akkoord met dit plan en met de verbouwing van de voormalige kweekschool aan de Oude Vest 35 tot volkslogement.
De laatste verbouwing is uitgevoerd, maar van de restauratie van het Gravensteen is niets terecht gekomen. Dat kwam door de oorlogssituatie, maar ook doordat het Rijk het bij nader inzien niet passend vond om het gebouw te bestemmen voor de Stedelijke Werkinrichting. De voormalige Kweekschool is overigens niet in gebruik genomen door het Leger des Heils. De Duitsers hieven het Leger des Heils op en in het gebouw kwam de Nederlandsche Volksdienst.
Na de oorlog boog de Raad zich opnieuw over de situatie van de Stedelijke Werkinrichting die nog steeds in de Boerhaavezalen was gevestigd. Van deze voorziening werd de laatste jaren nog maar door enkele tientallen mensen gebruik gemaakt. Het gebouw deed in die dagen hoofdzakelijk dienst als doorgangshuis voor vrijgelaten politieke delinquenten. In 1947 werd besloten om de Stedelijke Werkinrichting op te heffen. In het complex werden een aantal studenten gehuisvest.