Modernismen in de taal

Behalve modieuze uitdrukkingen in de trant van ‘daar word ik niet vrolijk van’, zijn er ook tendensen van veranderingen in de grammatica. Er is een sterke drang naar versimpeling. Tegenwoordig wordt er zoveel en zo snel gesproken dat het voor velen steeds lastiger wordt om alle traditionele regels in acht te nemen. De Nederlandse taal is ingewikkeld en dat is niet alleen lastig voor buitenlanders die proberen onze taal onder de knie te krijgen.

De kleine woordjes hebben het moeilijk.
Heel veel sprekers laten allerlei essentiële kleine woorden weg.
Je hoort steeds vaker zinnen als:
'Ik ben eens met …'
'Op moment dat …'
'Het heeft te maken dat…'
'Niemand kan ooit zeker zijn dat …'
'Ik was niet overtuigd dat …'
'Het kan nou niet meer schelen.
'Daarom zul je bewust moeten zijn dat…'
'Daar zou ik echt voor willen passen.'
'We moeten rekening houden dat …. '
'We hebben enorm belang dat …'
'Ik wil nadenken wat ik moet doen.' (Jorritsma in de Tweede Kamer, 14-05-1997)
'Terwijl dan juist vaak belangrijk wordt om er wat aan te doen.'

Het heeft te maken ….
Op de radio kun je vaak horen dat een journalist de vraag stelt:
‘Waar heeft dat mee te maken?
De geïnterviewde heeft vaak de neiging om de woorden uit de vraag deels te herhalen. Hij begint dan met:
‘Dat heeft te maken …’
Vervolgens komt hij in de knoei. Hij zou als volgt door moeten doorgaan:
‘ … met het verschijnsel dat… ’
of ‘… met het feit dat…’.
Dat vergt te veel van zijn taalkundige vaardigheid en daardoor hoor je voortdurend zinnen als:
‘Het heeft er alles mee te maken dat we daar nog weinig over weten.’
‘Het heeft te maken dat we op de uitslag van het onderzoek wachten.’
‘Dat heeft gewoon mee te maken dat ... ‘
‘Dat heeft natuurlijk alles mee te maken dat …’

Voorzetsels op drift
Er gebeurt vanalles met voorzetsels. Voorzetsels zorgen vaak voor ingewikkelde constructies in de Nederlandse taal. Ook hierbij is de drang naar versimpeling waarneembaar.

Verdwijnende voorzetsels
Heel veel sprekers laten voorzetsels weg, meestal in combinatie met ‘daar’ en ‘waar’. Het lijkt vooral een kwaal van intellectuelen.

‘Daar moeten we maatregelen nemen.’
‘Daar zijn we het eens.’
‘Daar zijn ze het helemaal niet met je eens.’
‘De maatregelen waar men te hoop loopt.’
‘Uiteraard houden we u daar op de hoogte.’
‘Het stuk wisten we niet dat het bestond.’
‘We gaan daar een half uurtje van gedachten wisselen.’
‘Het is een opkomende markt waar zich men in het westen ongerust maakt.’

Opmerkelijk is hier de wisseling van ‘men’ en ‘zich’. Het lijkt erop dat dit geen verspreking is en waarschijnlijk was het voorzetsel niet verdwenen als de woorden in de traditionele volgorde hadden gestaan.
Vaak verdwijnt er nog meer:

‘Die zijn er nog wel een paar.’
‘Ik twijfelde of hij iets zou laten horen.’
‘Mensen moet nadenken waar ben ik nu mee bezig.’
‘Je moet rekening houden dat het nog wat doorgaat.’
‘Men houdt rekening met dat er iets kan gebeuren.’
‘We komen in de periode dat …’

Opmerkelijk is ook de volgende zin:

‘Moet daar aanvullende regelgeving komen?’

‘daar’ kan hier niet zonder voorzetsel. Maar de spreker had ook gewoon ‘er’ kunnen gebruiken. Er blijkt een sterke voorkeur te ontstaan voor het gebruik van ‘daar’. Het lijkt een van de situaties te zijn waarin het woordje ‘er’ in de verdrukking komt. Overduidelijk is dat in de volgende zin:

‘Daar is overcapaciteit in Europa.’

‘Daar’ is zo populair dat het een steeds prominentere rol gaat spelen en andere woorden naar een plaats duwt waar ze niet horen:

‘Ook daar gefeliciteerd mee.’ (Harmke Pijpers op BNR)
‘Ik kan me voorstellen dat u daar zich over opwindt.’ (Harmke Pijpers op BNR).
‘Daar kom je er niet mee.’

Daar is een soort aftrap geworden voor een zin met een versimpelde grammatica. De inversie van de traditionele vorm ‘daarmee kom je er niet’ is bij het nieuwe ‘daar’ niet nodig.

Ook ‘waar’ speelt een merkwaardige rol. Ik hoorde de volgende zin uitspreken:

‘Alcohol is geen product waar je met prijzen moet stunten.’

Je kunt in die zin geen weggelaten voorzetsel terugplaatsen. Iedereen begrijpt wel wat hiermee wordt bedoeld, maar om hier ordentelijk Nederlands van te maken moet er veel meer worden toegevoegd. ‘Waar’ en ‘daar’ krijgen steeds meer de functie van een vage verwijzing naar wat wel bekend kan worden verondersteld, zodat een heleboel woorden kunnen worden weggelaten.
Dat is bijvoorbeeld te zien in de volgende zinnen:

‘Men heeft daar gekozen voor een andere oplossing.’
‘Daar kunnen we tot een oplossing komen.’
‘Dit is wel zo’n gloedvol betoog. Daar gaan we even pauzeren.’
‘Wat het laatste betreft valt Vermeend nauwelijks iets te verwijten dat hij daar de handdoek in de ring gooit. (Sjaak Smakman, Leidsch Dagblad 13-09-1999).
‘De woordenboeken vermelden dat het uit het Jiddisch komt, dus daar heb ik het makkelijk.’ (Onno Havermans, Leidsch Dagblad, 06-10-2000, laat hier lexicograaf(!) Dick Wortel aan het woord.)
‘Daar zijn op dit moment nog onderhandelingen gaande.’
‘Een van de mogelijkheden waar je tot een oplossing kunt komen.’
‘Daar zijn we te optimistisch geweest.’
‘Naar China kunnen we niet met de trein. Dan daar maar met het vliegtuig.’ (minister de Boer, 15-02-1997)
‘Daar hangt ze een boete boven het hoofd.’
‘Daar neem je het zekere voor het onzekere.’
Welk voorzetsel is hier verdwenen? Dat is niet met zekerheid te zeggen. Daar en waar, zonder voorzetsel beginnen soms een eigen leven te lijden. Zoals hiervoor al gezegd: soms is daar een vervanger voor er. Zoals in de volgende zin.

‘Zij heeft mensen onderzocht. Zijn daar verschillen tussen mensen?’

Verschuivende voorzetsels
Het blijkt lastig om strategisch vooruit te denken bij het spreken. Een goede spreker heeft de zin of het zinsdeel al in zijn hoofd voor hij het uitspreekt, maar veel mensen beginnen gewoon met de hoofdzaak en ze plakken de rest erachter.
Voorbeeld van sprekers die niet het voorzetsel weglaten, maar er wel moeite mee hebben:

‘Wat voor nieuwe elementen moeten we dan aan denken.’
‘Hoeveel groepen gaat het nu over?’
‘Welke stoffen hebben we het over?’
‘Wat voor sancties gaat het om?’
‘Alles is over nagedacht.’
‘Volkert van de G. wordt weinig over geschreven.’
‘Deze man heeft niemand op gerekend.’
‘Een aantal dingen moet je rekening mee houden.’
‘Dat gat gaat groot onderhoud in gepleegd worden.’ (journaal 29-12-2010).
‘Hier ben ik ook enigszins met je eens.’
‘Welk verschijnsel hebben we het dan over?’
‘Het is een opkomende markt waar zich men in het westen ongerust maakt.’

Het omdraaien van ‘zich’ en ‘men’ heeft iets te maken met het weggelaten voorzetsel.

In - het universele voorzetsel
‘In’ is razend populair. Het is bezig allerlei andere voorzetsels van hun plaats te duwen.

‘In’ was er overigens al een tijd als toevoegsel aan bestaande werkwoorden: Invoelen, inschatten, indekken, incalculeren, inverdienen.
Tegenwoordig wordt het gecombineerd met allerlei werkwoorden die allang hun eigen vaste voorzetsel hadden.

Dit soort zinnen hoor je dagelijks:
'Ik wil je daarin helpen.'
'Je ziet dat Nederlandse mannen zich meer interesseren in mode.'
'U bent daar heel duidelijk in.'
'Ik weet niet of zij daarin de waarheid spreekt.'
'Daar verandert niets in.'
'Daar blijkt ons ondernemerschap in.'
'We moeten afspraken maken in hoe we ervoor zorgen.'
'We zijn daar inventief in.'
'Daar wil de EU het voortouw in nemen.'
'Je moet daar niet snel in opgeven.'
'Waar zie je dat in?'
'Nederland speelt daar een belangrijke rol in.'
'Hier hebben de gemeente vrijheid in.'
'Er is niemand die jou in dat moment helpt.'
'Daar moet iets in veranderen.'
'Hij treedt niet op in zichzelf.'
'Zo’n stormvloed zorgt er gewoon in dat het water verder op het land komt.'
'We zitten daar heel streng in.'

Er zijn ook gecompliceerdere gevallen. ‘In’ is hier niet in de plaats gekomen van een ander voorzetsel, maar het heeft toch een plekje weten te bemachtigen:

'Hij is daarin wakker geschud.'
'Ik ben bezig daar een uitweg in te vinden.'
'Er kunnen meer redenen zijn waarin ze denken dat …'
'We hebben daar een herhaling in.'


Een paar extreme gevallen:

‘Wees daar eerlijk over in.’ (Abutaleb, 06-07-2014).
Hij begon goed, maar de neiging om ‘in’ te gebruiken was zo groot dat hij het er nog maar achteraan plakte, als een soort bonus.

‘Daar zouden afspraken in over moeten worden gemaakt.’
Hier heeft de spreker het woord ‘in’ al gebruikt en daarna kennelijk het gevoel gehad dat het toch een beetje vreemd klinkt.

Nog een nieuw werkwoord:
‘Je wilt dat het veel meer ingeïntegreerd is in ons leven.’

‘Van’ is populair

Ik heb zoiets van … (ook te horen als ‘ik heb van’ of ‘kepfan’)
Erg populair bij jonge vrouwen.
Na dat stukje zin kan er vanalles komen: een nieuwe zin of ook gewoon een kreet:
‘Ik heb zoiets van waauw, dat wil ik ook.’
Ik ben van ….
Ik heb van verschuift naar ik ben van
'Jazz-muziek, daar ben ik van.'
'Netjes werken, daar is Maria niet zo van.'
In het Engels komt dit ook voor: ‘I was like …’

Er is nog veel meer mogelijk:
Denken van, kijken van, zeggen van, vertellen van

‘Ik denk van…. We moeten kijken van.. ….’
‘We moeten voorstellen van ….’
‘We moeten zorgen van …..’
‘Je moet goed kijken van wat is er nou nodig.’
‘Ik denk van gôh, dat kan beter.’
‘Mensen gaan nadenken van hé, daar kan ik wat mee.’

Vooral die kreetjes ‘van gôh’ en ‘van hé’ doen het goed.
In beschaafde schrijftaal zal iemand (nog) niet snel dit soort uitdrukkingen hanteren, maar in de spreektaal bezondigt vrijwel iedereen zich eraan. Het is uitermate besmettelijk, want het praat zo makkelijk.

‘We moeten kijken van hoe kunnen we dat beter organiseren.’

is veel makkelijker dan:

‘We moeten bekijken hoe dat beter georganiseerd kan worden.’

Na ‘van’ begin je gewoon met een nieuwe zin, waarin het onderwerp en de persoonsvorm weer vooraan staat, zonder de inversie van een bijzin. Als je er ‘goh’ of ‘hé’ tussengooit, heb je bovendien nog iets meer bedenktijd voor het vervolg van je betoog.
Hier wreekt zich de ingewikkelde zinsbouw van de Nederlandse taal. Er is een drang waarneembaar naar een eenvoudigere grammatica.
De volgende is mooi:

‘De leerlingen hebben de scholen bezet van waar blijven onze boeken.’

‘van’ blijkt een heel doeltreffend middel om twee zinnen aan elkaar te bakken.

Luisteren en kijken
Vanouds hadden deze werkwoorden vaste voorzetsels, maar die zijn ze aan het kwijtraken. Het begon met tv-kijken. Het werd: ‘Ik kijk tv.’ En niet: ‘Ik kijk naar de tv.’ Toch vreemd dat dit destijds niet is gebeurd met de radio, die al zoveel langer bestaat. Onze grootouders hoorde je echt niet zeggen: ‘Ik luister de radio’ of ‘Ik luister het weerbericht.’
Jonge mensen spreken tegenwoordig ongegeneerd over: ‘muziek luisteren, een film kijken. ‘Ik wil die nog kijken.’
In het moderne Nederlands zijn ‘zien’ en ‘kijken’ volledig uitwisselbaar. Je hoort regelmatig zinnen als: ‘Als je kijkt wat er in Zuid-Europa gebeurt …’
Een oudere spreker heb ik op de radio horen zeggen:
‘Als ik jou zo luister…’

‘Er’ verdwijnt of wordt vervangen
‘Er’ is vanwege de uitspraak een lastig woord voor de sprekers van het ‘Moderne Nederlands’. Sommige buitenlanders die geleerd hebben om Nederlands te spreken laten het hele woord gewoon weg. Die doen dat waarschijnlijk omdat ze de grammaticaregels niet onder de knie krijgen. Ik hoor ook veel autochtonen die hetzelfde doen.

‘Ik heb vertrouwen in dat …’
‘In dit voorstel komen de hoogste inkomens veel te voordelig vanaf.’
‘Zo dachten we nog een aantal maanden geleden over.’

Bij hun is de reden waarschijnlijk dat ze hebben afgeleerd om de r fatsoenlijk uit te spreken. Maar de neiging om ‘er’ weg te laten dringt zich verder op. Ook in geschreven tekst valt ‘er’ soms weg. De volgende zin trof ik nota bene aan in de test 'Beter Spellen’ van 22 –10-2012:
‘Gisteren was een belangrijke voetbalwedstrijd op tv’.
Na commentaar van mij werd de tekst aangepast.
Soms speelt het woordje ‘er’ een vrij prominente rol in een zin. Dan wordt het lastiger om het zomaar weg te laten. Een ontsnappingsclausule is om het te vervangen door ‘het’ of ‘dat’. Een zin als ‘Wat is het met Hans?’ heb ik zelfs al eens in een krantenkop gezien. Je kunt het zien als een anglicisme, maar ik denk eerder dat het komt door de drang om de r niet uit te spreken. Je hoort vaak zinnen als:

‘Dat zijn een aantal redenen voor.’
‘Dat kan ik me alles bij voorstellen.’
‘Dat heb ik nooit aan gedacht.’
‘Dat ga ik mijn best voor doen.’ (Geert Wilders 01-05-2012)
‘Het gebeurt altijd wat.’

‘Er’ wordt soms vervangen door ‘daar’:
‘Moet daar aanvullende regelgeving komen?’
‘Het belangrijkste is dat daar geen enkele reden goede reden is om de maatregel af te schaffen.’

Dit lijkt voort te komen uit de sterke voorkeur voor het woordje ‘daar’ zonder voorzetsel.
‘daar’ dringt zich naar de voorgrond:

‘Het is ongelofelijk hoe goed daar Nederland is is.’
‘Ik ben daar op zoek naar.’

Maar ook ‘daar’ wordt op zijn beurt weer vervangen:

‘Dat moeten we een keer mee gaan beginnen.’
(Halbe Zijlstra op BNR, 11-12-2011)
‘Dat vind ik helemaal niks mis mee.’

‘mis-mee’ lijkt hier al te zijn verworden tot een bijwoord, zoals ‘misschien’ ooit ontstaan is uit ’t mag geschieden’.
Die tendens blijkt ook uit de volgende zinnen:
‘D’r is niks mis-mee met een religieuze leider.’
‘Wat is er mis-mee met dat supersnelrecht?’
‘mis-mee’ is al zo’n hechtverbonden woordgroep geworden dat ‘mee’ niet vervangen wordt door ‘met’, maar dat ‘met’ er nog een keer achter wordt geplaatst.

‘Gaan’ in plaats van ‘zullen’
Voor de toekomende tijd wordt opmerkelijk vaak ‘gaan’ gebruikt in plaats van ‘zullen’.
Normaal is: het gaat gebeuren, het gaat veranderen. Het werkwoord ‘gaan’ is in die gevallen wat stelliger dan ‘zullen’.
Tegenwoordig hoor je dagelijks zinnen tegen komt als:

‘Ik ga kotsmisselijk worden.’ (Leidsch Dagblad 26-09-2009).
‘De bank gaat worden verkocht.’
‘Die motie gaat weer ingediend worden.’
‘Die bonussen gaan d’r blijven.’
‘Gaat helemaal goed komen.’
‘Ik hoop dat er eerder ingegrepen gaat worden.’

Ik heb een spreker op de radio horen zeggen: ‘Dat gaat niet gaan.’
Hij corrigeerde zich onmiddellijk, maar het geeft wel aan hoe sterk de neiging is om steeds weer ‘gaan’ te gebruiken.
Zo ook bij Prem Radhakishun op BNR, 26-10-2009:
‘We denken dat het op die manier gaat gaan.’

Andere absurditeiten:
‘Het is bekend dat die het niet is gaan worden.’
'We zagen al langer dat ze ’t rustiger aan gingen gaan doen.'
'Het gaat geleidelijk open gesteld gaan worden.'
'We gaan willen weten wat voor weer het vandaag wordt.'

Er blijkt zo’n obsessie te zijn ontstaan voor het gebruik van gaan, dat het ook gebruikt wordt in combinatie met zullen:

‘Dat zal niet gaan gebeuren.’
‘Er zal veel gedemonstreerd gaan worden.’
Ook bij een zin als:

‘Gaat er nog geschaatst worden?’

is er meer aan de hand dan het verdringen van het werkwoord zullen. ‘Zullen gebruiken we niet eens zoveel voor de toekomende tijd. Vroeger zeiden we gewoon: ‘Wordt er nog geschaatst?’

Ook in de volgende zinnen heeft de spreker behoefte gevoeld om ‘gaan’ er tussen te plakken:

‘Maatregelen die nog uitgewerkt moeten gaan worden.’
‘Die patiënten moeten heel erg goed gevolgd gaan worden.’

Gaan in combinatie met worden is on-Nederlands. Ook de meeste combinaties met andere werkwoorden voelen niet lekker. Waarschijnlijk is dit gebruik ontstaan onder invloed van het Engels.

Wederkerig voornaamwoord verdwijnt
‘Wat moeten we daarbij voorstellen?’
‘Dan kun je afvragen.’
‘We moeten realiseren dat we …’
‘Zoals het nu laat aanzien …’
‘Ik werd bewust over de milieubelasting.’

Er zijn ook werkwoorden die wederkerig worden:
‘Ik kan me begrijpen.’
‘Ik kan me bedenken.’
‘Ik kan me beseffen.’

‘Zich bedenken’ betekent wat anders dan sommige sprekers bedoelen. ‘Ik kan me begrijpen’ is al oud, maar nooit zo heel wijd verbreid. Het klinkt ook nogal dom als je dat zegt.
‘zich beseffen’ is de laatste jaren enorm populair, ook bij mensen die in het algemeen de taal goed beheersen.

‘Mensen’ als persoonlijk voornaamwoord
Niemand lijkt het in de gaten te hebben, maar er is iets aan de hand met het gebruik van het woord mensen. Mij vallen de volgende zinnen op:
‘Mensen vinden dat niet leuk.’
‘Mensen letten er niet op.’
‘Mensen kunnen zich inschrijven.’
‘Mensen kunnen altijd bij mij terecht.’
‘Dat doen mensen tegenwoordig niet meer.’
‘Dat is mensen hun eigen verantwoordelijkheid.’

Het gebruik van het woord ‘mensen’ heeft een merkwaardige vlucht genomen.
Wanneer je het woord ‘mensen’ gebruikt in een zin als ‘Mensen kunnen dat’ , zeg je dat mensen, i.t.t. bijvoorbeeld dieren, tot zoiets in staat zijn. Je hebt het dan echt over de mensheid. Wie zegt: ‘Mensen kunnen altijd bij mij terecht’ zal beslist niet bedoelen dat de hele mensheid bij hem op de stoep kan komen staan. In dat geval hoor je een lidwoord te gebruiken: De mensen (die dat willen) kunnen altijd bij mij terecht. Bijna niemand gebruikt tegenwoordig nog dat lidwoord. Feitelijk heeft ‘mensen’ hier het onpersoonlijk voornaamwoord ‘men’ vervangen.
‘Men kan altijd bij mij terecht’. ‘Dat doet men tegenwoordig niet meer.’
Door de nieuwe betekenis van het woord ‘mensen’ krijg je ook zinnen als: ‘Dat is mensen hun eigen verantwoordelijkheid.’ In traditioneel Nederlands is dat: ‘Daarvoor zijn de mensen zelf verantwoordelijk.’

Dit was nieuws
Op Nederland 1 hebben ze wat nieuws bedacht. Bij de afkondiging van het nieuwsbulletin kun je tegenwoordig horen: ‘Dit was nieuws van vier uur’. Leuk om het eens anders te zeggen? Het zondigen tegen een grammaticaregel lijkt op zo’n moment iets prikkelends te hebben. Maar het roept ook ergernis op. ‘Nieuws van vier uur’ is nader aangeduid als ‘van vier uur’. Daarom zeggen we: ‘Dit was het nieuws van vier uur’. We kunnen ‘van vier uur’ zelfs weglaten. Iedereen begrijpt dan dat de juist gelezen boodschappen het nieuws van dat moment was. Je kunt wel gaan rommelen met die regel, maar dat gaat ten koste van de echte uitdrukking ‘Dit was nieuws’, en dat betekent: ‘Dit was een volkomen onverwacht bericht.’ Maar dat duidt men tegenwoordig liever aan met 'breaking news'

Criminaliseren, demoniseren
Sinds een aantal jaren vallen deze woorden me op en het komt me voor dat ze voordien gewoon niet bestonden. Het zijn overgankelijke werkwoorden.
Iemand criminaliseren betekent zoveel als: Over iemand beweren dat hij duistere praktijken uitoefent.
Iemand demoniseren: kwaadspreken over iemand.

Communiceren is een overgankelijk werkwoord geworden. Je hoort tegenwoordig voortdurend zinnen als:
‘We moeten dit goed communiceren.’
‘Dit had beter gecommuniceerd moeten worden.

naar, naartoe, vandaan, richting
Van de school van mijn dochter ontving ik een e-mail met als onderwerp ‘Informatiebrief naar ouders’. Ik hoor ook vaak zinnen als:
‘We vinden dat niet gepast naar ouderen toe.’ ‘Hij communiceert niet goed naar de klanten toe.’
‘Hij communiceert niet goed richting zijn klanten.’
‘Je merkt het uit de kinderen vandaan.’
Dit lijkt op populaire taal uit de softe sector. Vroeger schreef je gewoon: ‘Een informatiebrief voor de ouders,’ en: ‘niet gepast tegenover ouderen.’
Er zijn ook zinnen waarvan de betekenis enigszins in het ongewisse blijft. Wat wordt er precies bedoeld met:
‘De ouders zullen elkaar naar het kind toe zoveel mogelijk ondersteunen.’

Lekker wollig gezegd. Het is duidelijk dat er ouders zijn die elkaar zullen ondersteunen en er is een kind bij betrokken, mogelijk het kind in het algemeen. Wat dit kind zal ondergaan is volkomen ongewis. Dat is misschien ook wel de bedoeling van de spreker. Waarschijnlijk weet hij zelf gewoon nog niet goed wat hij bedoelt. In de jaren zestig van de vorige eeuw hadden we ook zo’n ‘heerlijk’ vaag woord: ‘ergens’.
Ergens begrijp ik waar je naartoe wilt.

Dan kunnen we kijken wat was het.
Veel bijzinnen krijgen tegenwoordig de constructie van een hoofdzin:

We moeten kijken naar wat zijn de effecten.
Je ziet dat je door ervaring moet leren wat werkt het beste.
We hebben een goed gesprek gehad om te horen hoe staat het met de begroting.
Hij gaat uitleggen wat zijn de feiten.
We willen inzicht krijgen in wat zijn de problemen.
Ze geven cijfers over hoe gaat het.
De haring werd niet gevangen omdat ze waren te klein.
Een van de moeilijkheden is om in te schatten hoe groot is het probleem.
We zijn zoekende geweest naar hoe vang je dat in een systeem.


Ben consequent
Er is iets aan de hand met de gebiedende wijs van zijn. Ik hoor regelmatig:

‘ben voorzichtig.’
‘ben verstandig.’

Het verschijnt ook al in gedrukte vorm: LD 30-10-2010:

‘…, ben consequent en durf inderdaad tegen je kind te zeggen dat als dat bord niet leeg raakt, …’

Onduidelijk is of dit gewoon komt door domheid of pure taalarmoede, of dat het een modegril is.

Gegloofd of gegleufd
Sommige sprekers hoor je in alle ernst het woord ‘gegloofd’ gebruiken als voltooid deelwoord van ‘geloven’, kennelijk als consequentie van het veel gehoorde ‘gloven’ i.p.v. geloven.

Lidwoorden
Bij allochtone Nederlanders hoor je regelmatig lidwoordfouten, maar ook sommige autochtone sprekers hebben er moeite mee. Er is een algemene tendens dat onregelmatigheden in de taal verdwijnen. Jan Stroop verwacht dat het verschil in het- en de-woorden op termijn gaat verdwijnen. Het zal er dan op neerkomen dat het onzijdig lidwoord in onbruik raakt en dat we, net als in het Engels, alleen nog maar de-woorden overhouden. Voorlopig hoor je bij autochtone sprekers nog betrekkelijk weinig fouten met lidwoorden. Er komen wel eens zinnen voorbij als: ‘De opleidingsniveau van studenten.’ Dat kunnen versprekingen zijn. In geschreven taal komen ze nog minder voor. Met de lidwoorden van stofnamen ligt het anders. Daar hebben veel autochtone sprekers moeite mee: de lood, de vocht, de bont, de sap, de afval. Bij woorden als ‘haar’ en ‘stof’ is zowel ‘de’ als ‘het’ mogelijk, maar dan wel afhankelijk van de betekenis. De weerman had het voortdurend over:

‘De stof uit de IJslandse vulkaan.’

Indirect worden wel heel regelmatig fouten met lidwoorden gemaakt. Bijvoorbeeld bij de betrekkelijke voornaamwoorden die en dat. Op de radio hoor je voortdurend zinnen als:

‘Een probleem die u had.’
‘Een onderzoek die laat zien.’
‘Een bedrijf die failliet is gegaan.’
‘Griekenland die zijn schulden niet kan betalen.’

Dit gebeurt ook al in geschreven taal. Deze zin vond ik op de website van PostNL:

‘Deze postzegels hebben een uniek geluid die u kunt afspelen met de speciale audiopen.’

Wier en wiens
Het zijn woorden die eigenlijk niet meer tot de hedendaagse taal behoren, maar sommige mensen gebruiken ze nog. Wie zich eraan waagt zou dan toch de regels moeten kennen. In het Leidsch Dagblad van zaterdag 17 december 2011 vond ik deze zin:

‘Maar de 23-jarige Gilbert, met wiens vermissing de zoektocht begon, ….’

Uit de rest van het artikel blijkt dat Gilbert een vrouw is.