Brouwerij 't Paert en de Vijer Harten




Vollersgracht 1, met links de Zakpoort


Oude Vest 109


Op de plek van Vollersgracht 1 stond twee eeuwen lang een brouwerij. In het achterhuis van Oude Vest 107, dat uitkomt op de Zakpoort, wordt in 2018 op heel kleine schaal weer bier gebrouwen. Daarmee is een oude traditie opnieuw tot leven gewekt. Het nieuwe biermerk grijpt terug op oudste naam van de brouwerij.


Het nieuwe beeldmerk van brouwerij 't Paert en de Vijer Harten'



Brouwerij ’t Paaert en de Vijer Harten’
Op 6 augustus 1615 koopt Jan Adam Brouwer uit Rijssel (Lille, Noord Frankrijk) zes percelen: Ze beslaan de huidige panden van Oude Vest 109, 109a en 109b, alsmede drie percelen achter nummer 109. Bij de verkoop wordt als voorwaarde gesteld dat de koper de erven aan de voorzijde binnen zes jaar moet bebouwen. Jan Adam is brouwer van beroep. Hij is vermoedelijk zoals vele anderen rond 1600 vanuit Noord-Frankrijk naar Leiden gekomen. Hij is getrouwd met Barbara Daussy. Op 5 december 1614 wordt hij ingeschreven als poorter van Leiden. Men kan in Leiden pas poorter worden nadat men er 12 jaar heeft had. Het poorterschap is noodzakelijk indien men een zelfstandig beroep wil uitoefenen en lid van een gilde wil worden.
Brouwers zijn in die tijd kapitaalkrachtige personen. Het feit dat Jan Adam zes percelen tegelijk koopt, geeft aan dat ook hij een vermogend man is. Behalve de genoemde zes kavels, koopt hij ook nog het huis aan de Volmolengracht, dat direct achter zijn terrein ligt. Het lijkt erop dat dit staat op de plek van het huidige pand Vollersgracht 1-1d.
Jan Adam gebruikt zijn terrein voor de bouw van een brouwerij, met als naam ’t Paaert en de Vijer Harten’. De brouwerij beslaat waarschijnlijk de huidige nummers Oude Vest 109a en 109b en het hele terrein tot aan de Zakpoort, inclusief het huis aan de Volmolengracht. Het huidige nummer 109 wordt woonhuis. De voorname ingangpartij van nummer 109 getuigt hier nog van. De verdieping boven de nummer 109a en 109b wordt eveneens gebruikt als woonhuis.



Op de kaart van Cristiaan Hagen (1675) is de brouwerij duidelijk te zien.


stukje van de plankaart van 1977


Aan de Oude Vest zijn enkele zadeldaken te zien op de plaats van de huidige nummers 109, 109a en 109b. Dit komt niet overeen met de huidige bebouwing en het is de vraag of de situatie ooit zo is geweest. Dat wil nog niet zeggen dat deze kaart onbetrouwbaar is. De weergave van de brouwerij komt zo goed overeen met het perceel van het huidige pand Vollersgracht 1 dat er reden is om te veronderstellen dat aan dit deel van de kaart extra aandacht is besteed. Zo is zelfs duidelijk te zien dat de Zakpoort taps uitloopt.
Aan het eind van de Zakpoort staat achter de brouwerij, op het achtererf van Oude Vest 107, iets wat op een bijgebouw lijkt. Mogelijk hoorde dit bij de brouwerij.

Jan Adam wordt op 17 april 1629 aangesteld als beheerder van de brandblusmiddelen in het hele bon West Marendorp Landzijde. Dit duidt erop dat hij enig aanzien geniet.
Jan Adam overlijdt op 5 juli 1649 en hij wordt begraven in de Hooglandse Kerk. De eigendom van het huis en de brouwerij gaat over op zijn weduwe Barabara Daussy. Ze houdt het complex nog enige jaren aan, maar ze verhuist naar de Garenmarkt. Op 12 februari 1654 verkoopt zij de ‘Brouwerij vande Vier Harten’ met complete inboedel en het woonhuis aan de Oude Vest aan Jan Cornelisz van Rhijn. Het huis aan de Volmolengracht wordt niet in de koopakte genoemd, maar het gaat wel degelijk over op de volgende eigenaar. Tot in de 19e eeuw blijft het steeds in handen van de eigenaars van de brouwerij. Uit latere bronnen blijkt dat het pand officieel verheeld is aan de overige percelen en geheel geïntegreerd in de brouwerij.

Brouwerij ‘De klimmende Leeuwen’
Jan Cornelisz. van Rijn, zoon van Cornelis Jansz. van Rhijn is op 7 oktober 1651 getrouwd met Eufemia Gael, eveneens geboren te Leiden en zelf dochter van een brouwer. Jan Cornelisz. van Rijn zet de brouwerij voort maar onder een andere naam. Vanaf 1 april 1654 heet hij ‘De klimmende Leeuwen’.
Het echtpaar is in tegenstelling tot de meeste Leidenaren Rooms Katholiek. Ze krijgen vier zoons en vier dochters, waarvan er vier op heel jonge leeftijd sterven.
Jan Cornelisz. van Rijn overlijdt op 25 oktober 1670. Hij wordt begraven op de katholieke begraafplaats in Rijnsburg. Zijn weduwe erft het huis en de brouwerij. Eufemia Gael blijft niet aan de Oude Vest wonen. Uit een notariële akte waarin zij voogden aanstelt over haar kinderen, blijkt dat ze in de Haarlemmerstraat woont. De brouwerij heeft ze waarschijnlijk verpacht en het huis verhuurd. Ze overlijdt rond 1678.
De kinderen van Eufemia Gael houden hun erfgoed nog enige tijd aan. Op 16 december 1678 wordt op het huis en de brouwerij een hypotheek genomen, waarschijnlijk om de nog openstaande schulden te voldoen. Op 18 juli 1681 wordt het huis met de brouwerij bij akte van scheiding toegedeeld aan Jacobus van Es, echtgenoot van Magteld van Rijn, een van de kinderen.

Brouwerij ‘De Halve Maen’
Jacobus van Es is Leidenaar van geboorte en op 20 februari 1677 getrouwd met Magteld van Rijn. Hij heeft niet genoeg geld om de andere kinderen uit te kopen. Daarom sluit hij een hypotheeklening af. De naam van de brouwerij verandert hij in ‘De Halve Maen’. Jacobus van Es overlijdt in mei van het jaar 1710 en hij wordt begraven in de Hooglandse Kerk.
Weduwe Magteld van Rij krijgt op 4 juli 1710 de voogdij over haar kinderen en ze wordt samen met haar kinderen eigenaar van de brouwerij. De naam van de brouwerij wordt weer veranderd.

Brouwerij ‘De Olifant’
De kinderen van Magteld van Rijn blijven korte tijd gezamenlijk eigenaar van de brouwerij. In de akte van scheiding van 7 februari 1726 staan genoemd: Johanna van Es, Jan van Es, Maria van Es, Nicolaes van Es en Theresia van Es. De brouwerij wordt toebedeeld aan Nicolaes.

Nicolaas van Es trouwt op 9 december 1745 in Amsterdam met Cornelia Kool, afkomstig uit Amsterdam. Hij overlijdt in april 1753 en wordt begraven in de Hooglandse Kerk. Cornelia Kool, zijn weduwe en erfgenaam overlijdt in april 1760 en wordt evenals haar man begraven in de Hooglandse Kerk.
Cornelia Kool heeft de brouwerij belast met schulden achtergelaten. Het duurt twaalf jaar voordat de curator de brouwerij de Olifant verkoopt. De schulden kunnen uit de opbrengst niet volledig worden voldaan. Op 23 juni 1772 wordt de brouwerij overgedragen aan de Deken en Hooftlieden van het Brouwersgilde. Tegelijk worden uit de boedel twee huizen in de Zaksteeg verkocht aan een zekere Jacobus van Alkemade.



kadastrale kaart 1815


De werkplaats van Verhoog
kaart Van Campen, 1899


Waarschijnlijk is de brouwerij rond het jaar 1800 afgebroken want op de kadastrale kaart van 1815 is er geen gebouw meer te zien achter Oude Vest 109. Aangenomen mag worden dat het perceel achter Oude Vest 109 nog wel werd begrensd door een tuinmuur en het ligt voor de hand om te veronderstellen dat de muren van de voormalige brouwerij als omheining hebben gediend. Aan het eind van de 19e eeuw wordt Oude Vest 109 bewoond door Abraham Verhoog. Hij is aannemer en hij bouwt achter zijn huis een werkplaats. De rommelige structuur van dit bouwwerk geeft alle reden om te veronderstellen dat Verhoog gebruik maakte van de muren die er nog stonden, d.w.z. de voormalige gevels van de brouwerij.



De werkplaats van Verhoog
rechts: de zijgevel in de zakpoort




In 1954 ondergaat de werkplaats een grondige verbouwing en krijgt het gebouw zijn huidige gedaante. De gevels van de voormalige brouwerij en het houten bovengedeelte worden vervangen door nieuwe muren en de balklaag van de eerste verdieping wordt een stuk omlaag gebracht. Daarmee zijn bijna alle overblijfelen van de brouwerij verdwenen. Alleen de muur, grenzend aan het achtererf van Oude Vest 107 is waarschijnlijk nog een restant van de brouwerij. Ook van de muren van het bijgebouw van de brouwerij (achter Oude Vest 107) hebben waarschijnlijk enkele delen het nog overleefd als tuinmuur.



mogelijke restanten van de brouwerij





Het nieuwe straatnaambord

In 2017 heeft de gemeente Leiden heel veel straatnaamborden vervangen en van een onderschrift voorzien. De Zakpoort kreeg als uitleg: 'zakvormige, doodlopende steeg'. Waar die naamsverklaring op gebaseerd is, is onduidelijk. Waarschijnlijker lijkt dat de steeg vroeger werd gebruikt voor de aanvoer van zakken hop en gerst en dat hij daarnaar is genoemd.